|
De rechtsstaat op het hellend vlak. |
|
Persbericht dd. 21 april 2003 De positie van Nederland als democratische rechtsstaat is de laatste jaren aan hevige interne en externe kritiek onderhevig. Waar veel politici, bestuurders, ambtenaren en maatschappelijke groeperingen zich nog wentelen in de waan van een goed georganiseerd en rechtvaardig Nederlands rechtssysteem en dat zelfs in een soort zendingsdrang proberen te exporteren naar andere landen, kan ieder weldenkend en oplettend burger constateren, dat het rechtshuis zodanig in verval is geraakt, dat het op instorten staat. Dat constateert volgens de Volkskrant ook de Maastrichtse rechtbankpresident Peter Lampe. Hij wijst op het feit, dat de rechtsgang wordt gefrustreerd door de stortvloed van drugszaken, waarmee de rechtbanken worden geconfronteerd. Het liefst zag hij legalisering van alle drugs, maar maakt toch nog enig voorbehoud bij harddrugs. Verder spreekt hij zijn medeleven uit over “die arme sloebers en losers” die geronseld worden om de drugs te smokkelen. Hij is verder een vurig tegenstander van spreekrecht voor slachtoffers en hij maakt zich zorgen over zijn eigen veiligheid in de rechtszaal. Ziedaar de rechtsstaat op zijn kop. De toevloed van drugszaken heeft natuurlijk alles te maken met het in Nederland ontwikkelde gedoogbeleid, waardoor softdrugs openlijk kunnen worden verhandeld. Sinds de invoering van dat gedoogbeleid in 1976 (!) verkeert men in de veronderstelling, dat men softdrugs en harddrugs van elkaar kan scheiden. Door het gebruik en de handel van hasj en marihuana oogluikend toe te staan, dacht men de criminaliteit terug te kunnen dringen. In 1991 bleek dat het gedoogbeleid niet die gewenste resultaten had opgeleverd. De criminaliteit was niet afgenomen en er waren neveneffecten die bestreden moesten worden door de invoering van landelijke richtlijnen, de zg. AHOJG-criteria (géén Affichering, géén Harddrugs, géén Overlast, géén Jeugdigen en géén Grote hoeveelheden). Hieruit blijkt waar het toen allemaal al fout ging en nog steeds fout gaat. Naar buiten toe werd de schone schijn opgehouden en was het gedoogbeleid zo’n heilig huisje geworden, dat men bang was politiek gezichtsverlies te lijden. Men koos ervoor niet ten halve te keren, maar ten hele te dwalen. In 1995 verschijnt de Drugsnota “Het Nederlands drugsbeleid, continuïteit en verandering”. De overheid tracht hiermee krampachtig greep te krijgen op de almaar toenemende coffeeshops en de overlast. Sanering van de coffeeshops komt voor het eerst ter sprake en men spreekt over beheersbaarheid (!). Nog meer regels moeten dat bewerkstelligen: géén gecombineerde verkoop met alcohol, verlaging van de hoeveelheden en striktere regels m.b.t. de locatie, de openingstijden, de inrichtingseisen en de parkeer- en geluidsoverlast. In 1996 leidt ook dit niet tot tevredenheid, maar met de publicatie van de “Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet” veinst men alles onder controle te hebben door gemeenten de mogelijkheid te bieden bestuursrechtelijk op te treden tegen coffeeshops. Strafrechtelijke vervolging is niet meer aan de orde. Gemeenten die een coffeeshop willen sluiten of weren, moeten nu hun toevlucht nemen tot de bestuursrechter en juist de gedoogregelgeving zorgt voor overvolle agenda’s bij de (bestuurs)rechtbanken en ellenlange procedures. Het infarct bij de strafrechtbank zou dus te maken kunnen hebben met grootschalige en ernstige overtredingen van de gedoogregelgeving en/of van de in het kielzog van het gedoogbeleid voorspelbare toename van de harddrugszaken. Het Nederlandse gedoogbeleid heeft er niet voor gezorgd dat de drugscriminaliteit is afgenomen. Misschien dat het heilige gedooghuisje dan toch moet worden afgebroken en we moeten terugkeren op de internationale wetgeving. Zelfs bij totale legalisering van alle drugs zullen er voorwaarden, grenzen en regels gesteld worden. Hoe meer regels, hoe meer rechtszaken. Pleiten voor een totale legalisering van drugs is pleiten voor justitiële zelfmoord. Het feit dat rechtbankpresident Lampe zich kennelijk liever opstelt aan de kant van de daders, dan zich rekenschap geeft van de slachtoffers, geeft te denken. Daar waar hij de drugsmokkelaars “arme sloebers en losers” noemt, die zielig en zonder bezoek in het vreemde Nederland worden opgesloten, zijn de echte verliezers de slachtoffers van hun daden en zeker ook hun familieleden, maar die wil hij liever niet horen. De rechtspraak is gediend bij duidelijkheid in wetgeving en duidelijkheid in strafmaat. Met zijn uitspraken in de Volkskrant heeft rechtbankpresident Lampe het rechtsgevoel geweld aangedaan en diskwalificeert hij zich in feite als onpartijdig rechter. Indien het alleen zijn bedoeling was om een discussie over de rechtspraak op gang te brengen, dan is hij wat ons betreft daarin geslaagd, al hebben wij grote moeite met zijn positie als rechtbankpresident. Daar waar politici zich moeten onthouden van uitspraken over het vonnis van de rechter, moet de rechter zich onthouden van uitspraken op het politieke vlak.
Geert Jeelof
Eens in de vier jaar kunt u tijdens de
gemeenteraadsverkiezingen uw stem laten horen
| Home | Copyright
© BINT 2000 - 2004 |