Openbaar ministerie Dordrecht
| Adres: Telefoon: Fax: Contactpersoon: Kenmerk: Datum: |
Postbus 7005 3300 GE Dordrecht 078-6391259 078-6391588 mw. D.M. Heijden BD 2000/539 10 mei 2000 |
Reactie van het openbaar ministerie op de motie van de Raad van Oud-Beijerland, vastgesteld op 25 april 2000.
Motie van de gemeenteraad
De raad van de gemeente Oud-Beijerland stelt voor met politie en justitie in het driehoeksoverleg overeenstemming te bereiken over het handhavingsarrangement voor de Gemeente Oud-Beijerland, waarbij handhaving van het lokale softdrugsbeleid, zoals vastgesteld door de raad, door alle partijen in het driehoeksoverleg wordt nagestreefd, zodat ook strafrechtelijk wordt opgetreden tegen overtredingen, die bij de gemeente prioriteit hebben gekregen.
De volgende overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
Besluit van het openbaar ministerie te Dordrecht
Het Dordtse OM zal geen uitvoering geven aan de motie van de gemeenteraad van Oud-Beijerland. Het beleid van het openbaar ministerie te Dordrecht, zoals hierna weergegeven is ook thans nog onverkort van kracht. Vervolgens treft u, voor zover relevant voor het openbaar ministerie, nog een antwoord aan op de motiveringen die aan de motie ten grondslag liggen.
Beleid van het openbaar ministerie te Dordrecht.
1. Regionaal
In lijn met het op landelijk niveau vastgestelde drugsbeleid hanteert het OM voor de verkoop van cannabis in coffeeshops een gedoogbeleid. Dit beleid heeft als doel de markten van harddrugs en softdrugs zoveel mogelijk te scheiden.
Er is voor dit uitgangspunt gekozen om personen die softdrugs willen kopen zo weinig mogelijk in aanraking te laten komen met harddrugs, mede gezien het grote verschil in gebruiksrisico. Tevens wordt door de verkoop van softdrugs in een coffeeshop de met overlast gepaard gaande straathandel tegengegaan. Coffeeshops worden alleen door het OM gedoogd als deze zich aan een aantal stringent geformuleerde criteria houden, de zogeheten AHOJ-G criteria: geen affichering, geen harddrugs, geen overlast, geen toegang voor en verkoop aan jongeren beneden de achttien jaar, verkoop van maximaal vijf gram per klant per dag en geen verkoop van alcohol.
In het driehoeksoverleg dient het OM per gemeente afspraken te maken over het aantal te gedogen coffeeshops. Daarbij wordt gestreefd naar de vaststelling van een, gegeven de plaatselijke omstandigheden, realistisch aantal coffeeshops. Als landelijke norm geldt hierbij één coffeeshop per circa 20.000 inwoners. Gelet op de plaatselijke omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.
2. District Hoeksche Waard
Op 13 juni 1996 vond in Mijnsheerenland een themabijeenkomst plaats over gemeentelijk drugsbeleid, waarbij het accent lag op softdrugs en de verkoop daarvan. Na afloop is afgesproken dat de zes Hoeksche-Waardse gemeentebesturen via het driehoeksoverleg zouden bekijken of onderlinge gemeentelijke afstemming mogelijk zou zijn. Daarbij is in ogenschouw genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat in de Hoeksche Waard minder softdrugs worden gebruikt dan elders in Nederland. Weliswaar wordt het gebruik van softdrugs veelal als een probleem beschouwd. Echter, het is ook een maatschappelijke werkelijkheid.
Het driehoeksoverleg van 1juli 1997 heeft een werkgroep opdracht gegeven om primair voor de Hoeksche Waard te onderzoeken op welke wijze de gemeenten het best met de verkoop van softdrugs kunnen omgaan. De werkgroep heeft in haar notitie `Verkoop van softdrugs in de Hoeksche Waard' een drietal mogelijkheden voorgelegd aan het driehoeksoverleg.
In het driehoeksoverleg van 29 november 1997 hebben de lokale driehoeken van de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, `s-Gravendeel, Korendijk en Strijen gekozen voor de nuloptie. Dit betekent - dat in deze gemeenten door bestuur, politie en openbaar ministerie geen coffeeshop zal worden gedoogd. Op 2 april 1998 is in het driehoeksoverleg voor deze gemeenten het `Handhavingsarrangement softdrugsbeleid Hoeksche Waard' vastgesteld.
3. Gemeente Oud-Beijerland
Op 28 januari 1997 zijn in het lokale driehoeksoverleg Oud-Beijerland afspraken gemaakt ten aanzien van het softdrugsbeleid in de gemeente Oud-Beijerland. Samengevat is in dat driehoeksoverleg overeengekomen.
Op 26 augustus 1997 heeft de burgemeester van Oud-Beijerland de hoofdofficier van justitie schriftelijk in kermis gesteld van het feit dat het maatschappelijk draagvlak in Oud-Beijerland onvoldoende is voor het gedogen van een verkooppunt. Het college van burgemeester en wethouders kiest zo opnieuw voor de nuloptie. De burgemeester constateert daarbij dat de inspanningsverplichting (zoals hierboven onder l en II is weergegeven) niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.
Met deze schriftelijke mededeling van de burgemeester verviel voor het openbaar ministerie de basis om de op 28 januari 1997 afgesproken nuloptie nog langer te handhaven.
Immers, het openbaar ministerie heeft bij herhaling aangegeven dat er voor de gemeente Oud-Beijerland geen specifieke omstandigheden gelden die een nuloptie (en de handhaving daarvan) rechtvaardigen. De plaatselijke vraag naar sofdrugs wijkt niet af van het landelijk gemiddeld en een nuloptie houdt het risico in van spreiding van het aanbod naar andere, slecht controleerbare punten met ongewenste neveneffecten als overlast en infiltratie van het criminele circuit.
Hoewel de voorkeur van de gemeenteraad Oud-Beijerland is om de nuloptie te hanteren, lijkt de keuze voor het hanteren van een maximumstelsel van één coffeeshop in Oud-Beijerland het meest geschikt.
Nu de gemeente van mening blijft dat er in Oud-Beijerland een nuloptie voor coffeeshops moet gelden, kan deze nuloptie slechts met bestuursrechtelijke middelen (bv. door middel van een vergunningstelsel gehandhaafd worden.'
De lokale driehoek van Oud-Beijerland heeft op 24 november 1997 dan ook besloten dat de driehoek niet tot een afspraak komt met betrekking tot de bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving van het door de gemeenteraad gevraagde nulbeleid m.b.t. verkooppunten van cannabisproducten.
Antwoord op de motiveringen die ten grondslag liggen aan de motie.
Tenslotte
In de notitie `het pad naar de achterdeur' geeft de regering aan dat het huidige gedoogbeleid gecontinueerd dient te worden. Het gedoogbeleid gaat immers uit van een algemeen wettelijk verbod op de verhandeling van drugs waarop in het vervolgingsbeleid een bescheiden uitzondering wordt gemaakt om met name jongere en beginnende afnemers niet aan de wetten van de straat bloot te stellen.
De regering is van oordeel dat met het accepteren van de verkoop van kleine hoeveelheden softdrugs in coffeeshops tegemoet wordt gekomen aan een in Nederland breed gedragen wens om de markten van harddrugs en softdrugs van elkaar te scheiden, en om de verkoop van softdrugs op straat tegen te gaan. Dit uitgangspunt heeft nog niets van zijn actualiteit verloren, ook al zijn er allerlei mitsen en maren, en zal ook de komende tijd richtinggevend zijn bij de consequente handhaving van het coffeeshopbeleid. De principes van dit scheidingsbeleid vinden hun grondslag in overwegingen van volksgezondheid.
De coffeeshop als verkooppunt voor personen van tenminste 18 jaar heeft een vaste plaats in de Nederlandse samenleving gevonden. Dit leidt in verhouding met andere EU-landen niet tot meer gebruikers van cannabis. De toename van het cannabisgebruik onder scholieren in het Voortgezet Onderwijs moet naar het oordeel van de regering niet via repressie maar via gerichte voorlichtingscampagnes worden tegengegaan.
Opsporingsdiensten en het OM zullen hun handhavingsinspanningen behalve op de AHOJ-G criteria vooral moeten richten op:
Daarnaast zullen gemeentebesturen effectiever gebruik moeten maken van de bestuurlijke handhavingsmogelijkheden die gecreëerd zijn in de Opiumwet en de Gemeentewet
De hoofdofficier van justitie
H.W. Samson - Geerlings